Maria Aerts

Maria Aerts '1921 - 1945'

April 1944, zo’n jaar voor het einde van de oorlog. Louis Aerts is aan het werk op de boerderij van zijn ouders en heeft geen idee dat deze dag zijn leven zal veranderen. Plots staan er drie mannen voor zijn neus: Amerikaanse vliegeniers die zijn neergehaald boven Nederland. Ze zijn al lang op de vlucht en kunnen met moeite op hun voeten staan. Louis begrijpt hun Engels niet, maar ze hebben een briefje in het Nederlands: “Kunt u ons helpen? Wij zijn drie Amerikanen. Wij hebben honger en komen te voet uit Holland.”

Louis en zijn vrouw Maria verzorgen de mannen. Ze verbergen hen goed want de Duitse soldaten mogen hier niets over te weten komen. Na vier nachten trekken de vliegeniers verder. Louis en Maria denken dat het gevaar is geweken, maar ze worden verraden. Op 28 juni wordt er op de deur van Hoeve de Ploeg gebonsd. De SiPo (Sicherheitspolizei) is op zoek naar Louis. Hij verstopt zich net op tijd onder een grote stapel hooi in de stal. Omdat Louis nergens te vinden is, nemen de Duitse soldaten zijn vrouw Maria en zijn broer Frans mee.

Louis vlucht naar zijn schoonouders en samen beslissen ze dat hij zich niet zal aangeven. Waarschijnlijk laten de Duitsers Maria en Frans na een tijd terug vrij. Voor Louis zou het slechter kunnen aflopen. Maar Louis ziet Maria en Frans nooit meer terug …

Het vervolgverhaal van Maria Aerts 

Maria wordt samen met haar schoonbroer Frans op de trein naar Duitsland gezet. De vrouwen moeten naar een ander concentratiekamp dan de mannen. Daar ondergaan ze wel dezelfde behandeling: uitgekleed, kaalgeschoren, ontsmet. Ze krijgen een uniform en een nummer. Vanaf nu is Maria gevangene 51015.

De gevangenen staan om 4 uur op. Ze doen hun taken in het kamp en vertrekken daarna naar de munitiefabriek waar ze 12 uur lang kogelhulzen en kogels maken. Wie niet snel genoeg werkt, wordt wreed gestraft. Wie probeert te ontsnappen, nog wreder. Soms moeten ze urenlang in de sneeuw staan, op blote voeten. 

Daarbij krijgen ze bijna geen eten. Als ontbijt is er 'koffie' van gerookte eikels, 's middags is er soep. Dat is eigenlijk een kom heet water met wat stukjes raap of kool. 's Avonds krijgen ze opnieuw soep, met een klein stukje brood en wat margarine. Op zondag is er een theelepel confituur en een beetje gehakt. Het leven is hard. De vrouwen proberen elkaar te steunen waar ze kunnen en voor het slapen zingen ze zich samen moed in. 

Maar de ontbering eist zijn tol. Maria heeft honger, is uitgeput en wordt ziek. Niet veel later moeten alle vrouwen te voet uit het kamp vertrekken. Maria kan niet stappen en blijft achter met de andere zieken. Niet lang daarna sterft ze. Ze is 24 jaar. Enkele dagen later wordt het kamp door het Russische leger bevrijd.