Frans Aerts '1911 - 1944'
April 1944, zo’n jaar voor het einde van de oorlog. Louis Aerts is aan het werk op de boerderij van zijn ouders en heeft geen idee dat deze dag zijn leven zal veranderen. Plots staan er drie mannen voor zijn neus: Amerikaanse vliegniers die zijn neergehaald boven Nederland. Ze zijn al lang op de vlucht en kunnen met moeite op hun voeten staan. Louis begrijpt hun Engels niet, maar ze hebben een briefje in het Nederlands: “Kunt u ons helpen? Wij zijn drie Amerikanen. Wij hebben honger en komen te voet uit Holland. ”Louis en zijn vrouw Maria verzorgen de mannen. Ze verbergen hen goed want de Duitse soldaten mogen hier niets over te weten komen. Na vier nachten trekken de vliegeniers verder. Louis en Maria denken dat het gevaar is geweken, maar ze worden verraden. Op 28 juni wordt er op de deur van Hoeve de Ploeg gebonsd. De SiPo (Sicherheitspolizei) is op zoek naar Louis. Hij verstopt zich net op tijd onder een grote stapel hooi in de stal. Omdat Louis nergens te vinden is, nemen de Duitse soldaten zijn vrouw Maria en zijn broer Frans mee. Louis vlucht naar zijn schoonouders en samen beslissen ze dat hij zich niet zal aangeven. Waarschijnlijk laten de Duitsers Maria en Frans na een tijd terug vrij. Voor Louis zou het slechter kunnen aflopen. Maar Louis ziet Maria en Frans nooit meer terug …
Het vervolgverhaal van Frans Aerts
Zo gauw Frans in het concentratiekamp aankomt, moet hij zijn uurwerk, schoenen en kleren afgeven. Hij wordt kaalgeschoren en ontsmet. Omdat hij jong en sterk is, sturen ze hem door naar een werkkamp om tunnels uit te hakken in de rotsen. Het is er verschrikkelijk. De gevangenen moeten alle dagen lang en hard werken, zonder pauzes en ook bijna zonder eten. Het is ijskoud, de kleren die ze dragen zijn veel te dun. Wie niet snel of hard genoeg werkt, krijgt slaag of andere straffen. De mannen zijn uitgeput. Ze worden ziek, ze vallen neer, ze sterven. De bewakers laten de doden in putten gooien, maar Frans wil zijn gestorven makkers niet zomaar in de grond laten verdwijnen. Hij kan ze geen echte begrafenis geven, maar hij kent wel alle gebeden uit het hoofd. Hij leert ze aan zijn medegevangenen en ze bidden samen. Zo is er een klein beetje ruimte voor afscheid en troost. En dan wordt ook Frans ziek. Hij heeft een longontsteking en moet naar de ziekenboeg. Daar is wel een dokter, maar er zijn geen medicijnen. De dokter kan dus weinig voor zijn patiënten doen. Frans is nog ziek en zwak wanneer ze hem terug aan het werk zetten. Geen wonder dat hij een week later, terwijl hij staat aan te schuiven voor een beetje eten, in elkaar zakt. Hij sterft dezelfde dag, terwijl zijn jongste dochter haar eerste verjaardag viert.
